Het keramisch product aardewerk bestaat uit gebakken klei. Kleur, hardheid
en structuur van de scherf hangen nauw samen met de al dan niet vermengde
kleisoorten. Het wordt gebrand in het middenvuur bij 800 tot 1000 graden
Celcius. De materie kan bij deze betrekkelijk lage temperaturen niet
sinteren (versmelten), waardoor het breukvlak van de scherf grof,
onregelmatig en korrelig is. Aardewerk is poreus en laat vloeistoffen
door. Men kan dit verhelpen door het te smoren, waarbij in de oven rook
wordt toegevoegd die de porien vult en de scherf grijs tot zwart kleurt.
Het overtrekken met glazuur is echter gebruikelijker. In de oven voorkomt
men het aan elkaar bakken van het gestapelde goed door het te scheiden met
puntige vuurvaste driehoekjes (proenen). Aardewerk wordt vaak gevormd op
het pottenbakkerswiel of in de drukvorm, (puur handmatig fabrikage, dus
zonder hulpmiddelen, werd in de bronstijd tot de ijzertijd toegepast
hetgeen te zien is aan b.v. de onregelmatige vorm).
Begin 1700 wordt de leemmassa in een aardewerken, gipsen, houten of
stenen mal gedrukt waarna het overtollige werd weggesneden. De
onderdelen werden met een kleipasta aan elkaar bevestigd.
De oudste decoraties zijn: vingerafdrukken, touwafdrukken, wikkeldraad,
zigzag lijnen, geveegt, groefversiering, spatelindrukken, ronde indrukken
en kamstreek versieringen. In latere eeuwen (15e eeuw) is de
slipkrasversiering erg bekend. Er werd een kleurige kleipap op het
ongebakken voorwerp aangebracht. In deze laag werd een decor gegrift
waardoor de anders gekleurde onderlaag zichtbaar werd. Enkele bekende
decoraties zijn: ringeloorwerk (werd gedaan met een koehoorn met een
gaatje in de punt; men maakte hiermee lijnen en stippen). Ook liet men wel
"druppels" op het aardewerk vallen, dit wordt barbotine genoemd.
Het oudste in Europa toegepaste glazuur is het goudbruine loodglazuur dat
uit loodoxide en kwarts bestaat. Het is doorschijnend, glanst en werd
vaak alleen aan de binnenzijde tot net over de rand toegepast.
Loodglazuur- aardewerk is meestal "Boerengoed". Bij onverglaasd aardewerk
(geen glazuur), dat rood tot geel is, spreekt men van terracotta. Men
spreekt over pijpaarde wanneer het gaat om ongeglazuurd wit aardewerk.
In de 15e eeuw werd door de stad Faenza aardewerk onverglaasd gebrand om
het vervolgens te moffelen met lood-tinglazuur en kleurenmails en
tenslotte te overtrekken met een erg dun doorzichtig laagje glazuur om zo
de diepe glans en kleurengloed te verkrijgen. Heden tendage noemt men dit
Faience aardewerk.
Majolica lijkt op Faience maar heeft een andere fabricage techniek. In
Nederland werd dit product in de 17e eeuw plateel genoemd. Majolica (14e
eeuw en later), Faience (15e eeuw en later) en plateel (17e eeuw) zijn
gewoonlijk voorzien van merken en monogrammen, waardoor het vaak mogelijk
is de fabricageplaats en datering te ontdekken.
Op onze site zullen we meerdere voorbeelden van boven vermeld aardewerk
laten zien zodat u dit op het veld kan gebruiken tijdens dateringen.